zondag 14 juli 2013

De "M" van Geraardsbergen




Geraardsbergen: de letter “M”


 

Dat de letter “M” in het toeristisch alfabet van Geraardsbergen een heel belangrijke rol speelt, moet uit wat volgt toch wel duidelijk worden…


Waarschijnlijk het meest bekend (zeker onder wielertoeristen) is de “MUUR” van Geraardsbergen. Toen de wielersport, kort na de Tweede Wereldoorlog; nood had aan een “col” in de Vlaamse Ardennen, werd de Oudenberghelling voorgesteld. Sindsdien is het een vaste waarde geworden in heel wat klassiekers. Ook de ‘Ronde van Frankrijk’ bleek geïnteresseerd. Deze vaste (?) waarde werd - spijtig - in de ‘ronde van Vlaanderen’ geschrapt.

Ook staat de M voor enkele waardevolle “MUSEA”. Denk maar aan de Chantillykant, de Tabaks- en de Sigarennijverheid, de garderobe van het vermaarde Manneken-Pis…

Ook meer dan 30 beschermde “Monumenten”, stadsgezichten en landschappen doen ons vele eeuwen cultuurhistorie beleven.

En wat dan te zeggen van de “Mattentaart”, een lokale delicatesse, bekend tot ver buiten de landsgrenzen.

Met “Manneken-Pis” val ik in herhaling. De Brusselaars zullen mij dit misschien kwalijk nemen, maar die van Geraardsbergen is veel, veel ouder.

Ook de “Marbol”, lokale naam voor de Marktbron, is geen onbekende voor Geraardsbergen. Deze werd heel wat eeuwen gevoed door ondergrondse aders, waaraan de bodem hier zo rijk is. De oorspronkelijke fontein kreeg een vernieuwde versie op het Marktplein.

Ook de “Mastellenworp” mogen we niet vergeten. Het is de lokale benaming voor de jaarlijkse Krakelingenworp, een eeuwenoud lentefeest dat plaats heeft op de Oudenberg. In de zoektocht vertellen  we hier waarschijnlijk meer over.


Groetjes.

LeoPol

donderdag 20 juni 2013

Geraardsbergen en boksen


Minder bekend, maar toch aardig meegenomen:




Eind mei 1948 stond Geraardsbergen in rep en roer. 

Hun ‘Tarzan’ Cyriel Delannoit werd Europees kampioen boksen.


Wie nog van dit soort onverwachte nieuwtjes heeft, doorgeven mag altijd.

Bijvoorbeeld via antwoorden op dit blog.


Groetjes.

LeoPol


dinsdag 18 juni 2013

Geraardsbergen: vervolg




Geraardsbergen: geschiedenis

(deel 2)


Dat Geraardsbergen doorklieft wordt door de Dender, zal iedereen wel weten. Deze rivier is zowat de grens tussen de ‘bovenstad’ en de ‘benedenstad’.

De bovenstad stijgt van ongeveer 20 m naar 110 m boven de zeespiegel. De internationaal bekende en ook gevreesde “muur” voert u naar dat hoogste punt. Niet alleen stoere beroepswielrenners, maar ook amateurs (Jan met de Pet) durven de beklimming ervan aan te gaan. Een hele uitdaging die beloond wordt met een prachtig vergezicht over de stad.
De eerder vlakke (en wat recentere) benedenstad, op het niveau van de Dender, kan vlot bezocht worden via het Stationsplein. Wel handig voor wie de wagen aan de kant wil laten.

Een snelle groei tot een belangrijk economisch centrum was vooral te danken aan de lakenweverij vanaf begin 13de eeuw. Het verdwijnen hiervan in de 15de eeuw zorgde dan weer voor een dieptepunt. In de 16de eeuw zorgde dan de opkomst van de kantnijverheid, de tapijtweverij en de lijnwaadindustrie voor een nieuwe bloei. Het rampzalig Spaans bewind, met heel wat plunderingen, zorgde weer voor een nieuwe diepgang. Het latere Oostenrijks bewind zorgde weer voor een gunstige periode voor handel en nijverheid (bierbrouwen, alcoholstokerijen en tabaksnijverheid). Roken en drinken heeft dus ook een goede kant! Ook de kantnijverheid bloeide in de 19de eeuw weer even op. Maar vooral de lucifersfabricatie en de sigarennijverheid zorgde toen voor bloei en werkgelegenheid. Maar mooie liedjes duren niet lang. Begin 20ste eeuw verminderde deze economische activiteit. Vele bewoners waren nu noodgedwongen op ‘pendel’ aangewezen. De bedrijvigheid van Geraardsbergen is nu vooral te danken aan haar commercieel-verzorgende functie en toerisme.

Van de vroegste omheining (omwalling) is niets bekend. De aanleg van de vestingmuren met versterkte torens en zes stadspoorten startte in 1332. Slechts één toren, vlak bij de Vesten,  is nog te bewonderen. In deze zoektocht kan u hiervan getuige zijn. De overgebleven Vesten (een aarden wal met palissaden) en stadspoorten werden in de 19de eeuw gesloopt.

Groetjes en tot een volgend blognieuws.

LeoPol

zondag 9 juni 2013

Zoektocht Geraardsbergen.




9juni 2013 



GERAARDSBERGEN:  een beetje geschiedenis.    


 (deel 1)


Deze eerder kleine stad fusioneerde in 1970 met enkele randgemeenten en groeide zo uit tot een kleine stedelijke agglomeratie.

Nu is het geheel vooral landschappelijk belangrijk door het vrijwel ongeschonden heuvelachtig reliëf (ik denk bv. aan de Oudenberg en de ‘Muur’) en sluit het aan bij de Vlaamse Ardennen. Maar ook heel wat bossen en natuurreservaten sieren de onmiddellijke omgeving.

Geraardsbergen wordt als dusdanig pas in 1034 voor het eerst vermeld: Geroaldi monte.
De stichting van de stad situeert zich tussen 1067 en 1070 als versterking van het Vlaamse grondgebied door Boudewijn VI, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, op een aangekocht erfleen van een zekere Geraard, heer van Hunnegem. Dus, de Frankische nederzetting Hunnegem met haar mooi romaans kerkje ligt aan de oorsprong van de stad Geraardsbergen. Dit kerkje, gelegen ten zuiden van het huidige stadscentrum, bestaat nog steeds en de vroegere priorij van Hunnegem is nu volledig omgebouwd tot een bloeiende onderwijsinstelling (sinds de 17de eeuw), uiteraard met heel wat verbouwingen en aanpassingen in de volgende eeuwen. Ook de O.-L.-Vrouwekerk zelf onderging heel wat verwoestingen, teisteringen, verbouwingen, aanpassingen, met een laatste restauratie in 1964.

De ontwikkeling naar het huidige Geraardsbergen met zijn enig mooi marktplein gebeurde vrij vlug. De verleende vrijheidsvoorschriften der stadskeure (de oudste in Vlaanderen) waren hier niet vreemd aan. Ook belangrijk voor de sociale, economische, culturele en geestelijke expansie was de overplanting (in 1081) van de St.-Adriaansabdij van Dikkelvenne naar Geraardsbergen. Deze abdij vind je, logischerwijze, in de Abdijstraat. Het was de bisschop van Kamerrijk die op verzoek van de graaf van Vlaanderen deze overstap bewerkstelligde. Sint-Adriaan werd destijds aangeroepen als beschermheilige tegen de pest, die tijdens de Middeleeuwen meermaals Vlaanderen (en Europa) teisterde.

Mogelijk kom ik hier later op terug. Tenzij een verkenning van de omgeving van deze abdij in de zoektocht verwerkt wordt. Maar zover zijn we nog niet.


Meer nieuws volgt alleszins… Dus kijk af en toe ons blog even na.


Groetjes.

LeoPol


___________________________________________________________________________________________











-
 

zondag 30 september 2012

Aalst historisch




Aalst (Frans: Alost) is een stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen. De stad telt iets meer dan 80.000 inwoners (2010), die Aalstenaars[1] worden genoemd. Sint-Maarten is de patroonheilige van de stad. Aalst is gelegen aan de rivier de Dender.
  •  

Kenmerken

Aalst is het meest bekend om zijn jaarlijks carnaval en zijn carnavaleske vete met de stad Dendermonde over de rechten op het Ros Beiaard en ook wel om zijn 'Zwarte Man', het standbeeld van Dirk Martens in het midden van de Grote Markt. Dirk Martens drukte het eerste boek met losse letters in de Nederlanden; hij was bevriend met Erasmus.
Een al even beroemde telg is de romanschrijver Louis Paul Boon. Aalst maakte in het begin van de 20e eeuw ook een stukje van de Belgische politieke geschiedenis met als centrale figuur priester Adolf Daens (broer van Pieter Daens), over wie Louis Paul Boon overigens zijn beroemdste boek "Pieter Daens of hoe in de 19e eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht" (1971) schreef. Het belichaamt de sociale geschiedenis van een stad, streek, volk en tijdperk.
Aalst dankte vroeger zijn welvaart onder andere aan de hopteelt. De kathedraal van Amiens was het voorbeeld voor de Aalsterse Sint-Martinuskerk, die echter niet werd afgebouwd. Het oorspronkelijk belfort van Aalst stamt uit de 13e eeuw. Het huidige belfort is grotendeels uit de 15e eeuw.

Geschiedenis

De precieze ontstaansperiode van Aalst is onbekend, maar men vermoedt dat de stad nog voor het jaar 1000 gesticht is. Wel is zeker dat Aalst ontstaan is op het eiland "Chipka", een eiland in de Dender. Vanaf de Frankische tijd lag het graafschap Aalst in de Brabantgouw. Nadat het deel van deze gouw tussen Schelde en Dender in de 11e eeuw veroverd werd door de (Franse) graven van Vlaanderen kon het Land van Aalst toch nog een eeuw van een zekere zelfstandigheid binnen Rijks-Vlaanderen genieten. De hertogen van Brabant-Lotharingen probeerden nog twee eeuwen de fictie van hun opperleenrecht over Aalst te doen gelden. De wapenkleuren van de stad Aalst bevatten nog altijd die van Lotharingen: wit en rood.
Kerkelijk ressorteerde de stad Aalst overigens eerst nog onder het aartsdiakenaat Brabant, en later onder het aartsdiakenaat Brussel van het bisdom Kamerijk. Na de herindeling van de bisdommen in de 16e eeuw hoorde het dan bij het (aarts)bisdom Mechelen.
Aalst lag strategisch op de handelsweg Brugge-Keulen, ter hoogte van de Brabants-Vlaamse grens. De Bourgondische eenmaking maakte een einde aan de militaire grenssituatie.
Het wapenschild van Aalst is een ontwerp van de zilversmid Nicolaas Colijn. Hij ontwierp het in 1394 als stadszegel voor poorterszaken voor de stad. Het wapenschild toont in het midden een zwaard; het symboliseert de autonome rechtsmacht en militaire weerstand van de stad. Als symbool voor de horigheid aan de Duitse keizer en de Graaf van Vlaanderen staan respectievelijk de Duitse adelaar en de Vlaamse Leeuw ook afgebeeld.

Oorsprong van de benaming 'Ajuin'

De spotnaam voor de Aalstenaars is over heel Vlaanderen bekend. Eigenlijk kan men zelfs amper nog van een spotnaam spreken, want het woord ajuin (in het Aalsters dialect: ajoin) is zowat uitgegroeid tot een alomtegenwoordige aanduiding voor een inwoner van Aalst. Het meest afdoende bewijs dat de Aalstenaars zich nooit veel stoorden aan de spot van de Dendermondenaars is wel het feit dat zij aan zelfspot zijn gaan doen, dat zij hun spotnaam als een plezierig sieraad zijn gaan beschouwen en er ook fier op zijn. Dit bleek bijvoorbeeld reeds uit een optocht in 1890, waarin ze de stad als een ajuin afbeeldden.
De oorsprong van de spotnaam "ajuinen" ligt in de 19e eeuw, toen in Aalst en omstreken de uienteelt enorm floreerde. Naast de grote hopmarkt bestond er vroeger te Aalst ook een vermaarde uienmarkt.

Geografie

Aalst is gelegen in de Denderstreek. Het centrum van Aalst ligt grotendeels in het dal van de Dender, op een hoogte van ongeveer 10 meter boven zeeniveau. Van de Dender richting Grote Markt stijgt het niveau ongeveer 12 meter. Het hoogste punt van Aalst ligt halverwege tussen Aalst-centrum en de deelgemeente Herdersem, op 30 meter boven zeeniveau. Ten oosten, zuidoosten, zuiden en zuidwesten van de stad Aalst bevindt men zich al snel tussen de heuvels. Ten oosten van Aalst is dit het Pajottenland, met toppen die bijna 100 meter hoogte halen. Ten zuiden en ten zuidwesten zijn dit de 'voorheuvels' van de Vlaamse Ardennen, dit met toppen tussen 60 en 85 meter hoogte. Geografisch gezien ligt Aalst in het centrum van België, ongeveer halverwege tussen Gent en Brussel.

Natuur

  • het Stadspark dat in het zuiden overgaat in natuurgebied het Osbroek.
  • de gebieden langs de Dender (die te volgen is met een fietspad)

Bron: wikipedia

Groetjes.

LeoPol
 

vrijdag 28 september 2012

Ondineke en Jan de Lichte

Een recent krantenknipseltje..... postuum....

Nobele Prijs voor Louis Paul Boon

vrijdag 28 september 2012 om 11u25
Zondag 7 oktober sluit een marathon in de KVS het Boon-jaar af: zoon Jo ontvangt er dan de Nobele Prijs namens zijn 100-jarige vader.
Donderdag 4 oktober wordt de winnaar van de echte Nobelprijs bekend gemaakt: Cees Nooteboom (vooral) en Leonard Nolens (ietsje minder) zijn nog steeds in de running volgens de bookmakers. Louis Paul Boon was ook ooit Nobelkandidaat maar kreeg hem nooit. Literatuurhuis Passa Porta maakt dit nu goed door hem postuum de Nobele Prijs te gunnen.

De uitreiking van deze ludieke Nobele Prijs past in de slotact van het Louis Paul Boon-jaar. In de KVS te Brussel heeft op zondag 7 oktober een Boon-marathon plaats van 12 tot 23 uur. Boon-fans - onder wie Herman Brusselmans en Josse De Pauw - zullen er hulde brengen aan de eeuweling door hun favoriete passage uit zijn werk ten gehore te brengen.
Literatuurhuis Passa Porta reikt al enkele jaren een Nobele Prijs uit aan een gerenommeerd schrijver die de offciële Nobelprijs nooit heeft mogen ontvangen. Hugo Claus, bij leven elk jaar de gedoodverfde kandidaat, kreeg zo een vorige versie van de Nobele Prijs. Ook Louis Paul Boon, die men kort voor zijn dood deed geloven dat hij in polepositie lag om de Nobelprijs te winnen, krijgt nu een symbolische schadeloosstelling.

Frank Hellemans


En daar moet op gedronken worden!

Twee keuzes...

In navolging van de 18° eeuwse boef uit Velzeke heeft de "brouwerij De Glazen Toren" te Erpe Mere  sinds 2005 een stroblond witbier van hoge gisting (7%) op de markt gebracht. Dit Belgisch bier kreeg de naam "Jan De Lichte". Samen met het boek van L. P. Boon een aanrader.

Ook "Ondineke" uit de "Kapelleklensbaan" van Boon werd vereeuwigd in een Oilsjtersen Tripel. Het werd een zacht romig, niet gefilterd, goudblond bier van hoge gisting. Met dank aan brouwerij "De Glazen Toren".


LeoPol

vrijdag 21 september 2012

De bende van Jan de Lichte.

Als vervolg op "roversbenden in Vlaanderen" belanden we tenslotte in Aalst, met de bende van Jan de Lichte.


Het boek "De bende van Jan de Lichte" van Louis Boon geeft tekst en uitleg, zij het dan wel gezien door de bril van Louis Paul Boon. En die stond niet altijd op scherp!



Met dit boek heeft Louis Paul Boon een (geromantiseerd) historisch verhaal geschreven en geeft op zijn manier het verslag van een sociale strijd. Het blijft natuurlijk zijn visie op de feiten, soms in tegenspraak met de”officiële” (?) versie.
Opvallend is dat in de ‘officieuze’ eerste druk (hierboven) de auteur niet Louis Paul Boon heet, maar Louis Boon.
In eerste instantie verwijs ik als bron naar de krant “Het Laatste Nieuws”, waar het boek voor de echte publicatie als feuilleton verscheen. Harde antikapitalistische en pikante passages werden wel geweerd. En Boon gaf – tegen zijn zin – toe, omdat hij toen als columnist bij die krant dringend om geld verlegen zat.

In het midden van de achttiende eeuw doet Jan de Lichte, de onverschrokken zoon van een kroegbaas, een poging om de tienduizenden gedupeerden van Vlaanderen te organiseren tot een min of meer geregeld leger onder de leuze ‘allen voor een, een voor allen’. Aanvankelijk slaagt het opzet. De bende groeit en wordt gevreesd. De nobelen en notabelen worden gepluimd en de bezetter, het Franse leger van koning Louis XV, dat het land uitzuigt en erop los verkracht, voelen de zweep van de wraak. Maar Jan moet de strijd aangaan met machtswellustelingen in eigen rangen.

Het is de klassieke truc van de rijke. Beloof een paar sukkelaars gouden bergen, medailles en een goede positie, en ze draaien hun zak. Ze worden mollen. Trouwe volgelingen van Jan de Lichte komen erdoor in de folterkamers van de Franse politie terecht. Enkele slaan door en worden verraders. Het einde van Jan de Lichte en dat van zijn bende wordt beslecht op de markt van Aalst, waar galg en rad staan opgesteld. Het vonnis op 13 november 1748 luidde als volgt: “Uw armen, benen, billen en ledematen zullen gebroken worden op een schavot op de markt van deze stad. Zo zult u op een rad worden gelegd met uw aangezicht naar de hemel en zo zult u blijven liggen zolang het God belieft u in ’t leven te laten”. De laatste kreet van Jan de Lichte gaat door merg en been: ‘Voor geen chanterik peu!’ – ‘Voor geen politiehond bang’.

Zoals ‘Het been’ van Willem Elsschot een vervolg is op’ Lijmen,’ is ‘De zoon van Jan de Lichte’ dat op ‘De bende van Jan de Lichte’. Het tweede deel is minder driftig van toon. Louis Paul Boon noemde het zelf ‘een vroom en vrolijk boek’. Bij monde van de veertienjarige Marieke Bleecker ontwikkelen zich de verdere avonturen van de harde kern van de bende. Ze willen dat de zoon van Jan, Louis, het voortouw neemt in de klassenstrijd. Maar hij doorziet de valkuilen van de opkomende industrialisatie. De kleine mens denkt dat hij er beter van zal worden. Maar Louis weet beter. Het is een valse vooruitgang. De kleine man zal altijd de onderdrukte blijven. In een wereld waar de folterkamers fabrieken zijn en de machines foltertuigen, zit de kleine man gevangen als in een concentratiekamp en wordt hij dwangarbeider. Louis de Lichte stoot de leidersrol af en kiest voor spel en plezier.

Het verhaal van op- en ondergang van het idealisme loopt gelijk met het leven van Louis Paul Boon. Als jongeling was hij anarchist, transformeerde na de Tweede Wereldoorlog tot communist, werd vervolgens socialist, nadien liberaal, om halverwege de jaren zestig tot zijn dood in 1979 nihilist te worden. Ieder zijn goesting en laat mij gerust, werd zijn lijfspreuk.




Maar een boek is natuurlijk niet altijd de realiteit. Wat waarschijnlijk bij Jan de Lichte uit idealisme ontstond (gezien zijn afkomst), groeide later uit tot diefstal, moord en verkrachting. Hierbij werd niemand ontzien. Zeker niet de hogere standen, de leidende klasse. Ook niet de eenvoudige bakker, herbegier en slager om de hoek. Hiervan zijn vreselijke taferelen bekend. En dat verklaart natuurlijk waarom de jacht op Jan en zijn bendeleden zo hevig was.


En, wees gerust, voor 6 oktober zijn er geen problemen voorzien. Jan is al lang vergeten en begraven. Enkel de "zoektocht-folteringen" zijn dan aan de orde. Tot dan!

LeoPol